Van de voorzitter

IMG_7905 schrijversmarkt Schoonhoven zoom

Enkelvoud-Meerfout

Hartelijk welkom op het eerste podium Ongehoord van dit jaar. De jaarwisseling hebben al even achter de rug en dat is traditiegetrouw de tijd voor enige reflectie, ook als het over onze taal gaat, het instrument, het medium waarvan wij ons zo graag bedienen.  In TV-programma’s als Pauw en De Wereld Draait Door worden dan deskundigen en/of BN-ers uitgenodigd om hun mening te geven over woorden van 2015 die absoluut niet kunnen. Er zijn lijstjes met nieuwe woorden en met verdwenen woorden, de mooiste en de lelijkste woorden. En als er een lijstje is met de grootste taalergernissen, dan heb ik een ijzersterke kandidaat voor de toppositie.

Het gaat om het gebruik van het woord media alsof dat enkelvoud is. Voorbeeld: De media heeft het altijd gedaan of De media heeft geen verstand van voetbal. Dat een gemiddelde voetbaltrainer niet weet dat media het meervoud is van medium, a la, maar dat journalisten en politici het ook niet weten, dat kan natuurlijk niet.

Sommigen van u zullen misschien zeggen: doe geen moeite, het is een achtergrondgevecht wat je toch niet meer wint, de taal ontwikkelt zich nu eenmaal, gooi de handdoek maar in de ring. Per 1-1-2017 is media enkelvoud. Misschien dat je het nog een jaartje uit kan stellen, maar dan is het zover.

Ik weiger echter te capituleren. Want er zijn voorbeelden van dreigend taalonheil, die zijn voorkomen. Ook bij het woord aantal speelde lange tijd de enkelvoud-meervoudkwestie. Bij dit woord is het ons zo ingepeperd, dat het enkelvoud is dat we nu zelfs met enige nadruk zeggen: Een groot aantal gedichten is ingezonden, terwijl voorheen Een groot aantal gedichten zijn ingezonden heel gebruikelijk was.

Het kan dus wel. Het is overigens de vraag of we nu zo blij moeten zijn met Een groot aantal gedichten is ….Het klinkt heel onlogisch. We zijn blij met het grote aantal gedichten, maar hoeveel het er ook zijn, het blijft enkelvoud. Hoe onlogisch het is blijkt pas goed als je een groot aantal vervangt door een heleboel. Een heleboel gedichten is ingezonden of Een heleboel gedichten zijn ingezonden? Zegt u het maar. Enkelvoud of meervoud? Ik kies voor het laatste. Ik kies voor meervoud, Een heleboel gedichten zijn ingestuurd en dus ook Een groot aantal gedichten zijn ingestuurd en daarom ook Een aantal gedichten zijn ingestuurd, want een aantal gedichten zijn er altijd twee of meer.

Zo kom je van de ene taalergernis in de andere. Laten wij in ieder geval afspreken dat niet alleen media meervoud is, maar dat ook Een aantal is …. vermeden moet worden. Beter is het te spreken over Enkelen (of velen of een heleboel) zijn…..

Ik wil besluiten met een gedichtje dat ook de kwestie enkelvoud/meervoud als thema heeft. Velen schrijven het gedicht toe aan Godfried Bomans. Het was echter zijn vriend Michel van der Plas die in een jolige bui bij het samenstellen van de bundel Ongerijmde Rijmen begin jaren vijftig de naam van Bomans onder dit gedicht heeft gezet. Maar ook Michel van der Plas is niet de echte auteur. De van oorsprong Duitse dichtregels komen van Friedriech Torberg. Van der Plas zorgde voor de Nederlandse versie en schoof die in de schoenen van Bomans.

Minzaam incasseerde Bomans de faam die dat gedichtje verwierf, maar tegen Van der Plas zinspeelde hij nooit op de zaak. Het ondergeschoven auteurschap bleef dus in stand, ook na het overlijden van Bomans in 1971. Vandaar dat hij in 1978 luidkeels van plagiaat kon worden beschuldigd, toen iemand het oorspronkelijke Duitse tekstje van Friedrich Torberg opgegraven had.…

Spleen (Friedrich Torberg 1908-1979; Michel van der Plas 1927-2013)

Ik zit mij voor het vensterglas

onnoemelijk te vervelen.

Ik wou dat ik twee hondjes was,

dan kon ik samen spelen.

 Lieve mensen, sta mij toe in mijn laatste ‘Van de voorzitter’ een loflied op mijn geboortestad Rotterdam onder uw aandacht te brengen. Het is een klassieker van Jan Prins (pseudoniem van Christiaan Louis Schepp), voor Rotterdamse poëzieliefhebbers zeker geen onbekende. In ons podium Ongehoord! heb ik hem ook al eens in het zonnetje gezet en onlangs besteedde Wouter van Heiningen op zijn site aandacht aan hem. Jan Prins (1876-1948) werd geboren in Rotterdam en was van 1892 tot 1924 officier bij de Marine. Zijn beroemdste gedicht dateert van voor het bombardement op Rotterdam. Hij droeg dit lofdicht op vooroorlogs Rotterdam voor op een vergadering van letterkundigen in het oude Zalmhuis te Kralingseveer op 19 juni 1937, toen de haven nog in de stad lag in plaats van in zee.

Rotterdam

Te Rotterdam ben ik geboren
onder de adem van de Maas
en liep ik, met mijn eigen stilte,
temidden van het straatgeraas.

Van zwaarbespannen sleperswagens
ben ik er passagier geweest.
Door heel de stad heb ik gezworven,
maar aan de kaden toch het meest.

Daar lag de stoet uit alle streken,
de klipper en de keulenaar,
het driemastschip, zijn tuig ten hemel,
en de ertsboot, vol en breed en zwaar,

De Lloyd-vloot, met provincie-namen,
Alle elf, als ik mij niet vergis,
De Caland en de Lady Tyler,
de Scholten, die gebleven is.

Daar lagen zij, voor alle verten
gereed, elk in zijn eigen pracht
’t Is me, of ik nog hun stem hoor loeien
ten afscheid, in de winternacht.

Maar dit ook is, wat uit die jaren
het weerzien mij tebinnen brengt,
dat alle geuren uit de wereld
daar met elkaar waren gemengd.

Naar koffie rook het bij de Draaisteeg,
aan ‘t Oude Hoofd naar teer en touw,
naar copra langs de Spoorweghaven,
naar reuzel bij het Poortgebouw,

naar huiden op den Terwenakker
en aan de Haringvliet naar kaas
Dan was de lucht van gist of olie,
en dan van jute weer de baas.

Dan waren het de specerijen
Uit Bombay of Batavia.
Naar schapen rook het in de Boompjes,
naar uien op de Spaansche Ka.

Aan ‘t Nieuwe Werk geurden citroenen
en bij het Entrepôt tabak.
Kortom, er valt geen reuk te ruiken,
die aan het havenbeeld ontbrak.

Maar later, toen ik op mijn tochten
in aller Heeren landen kwam,
kon mij het dikwijls overvallen:
het ruikt hier als in Rotterdam!

En daarmee kwam dan in zijn volheid
dat ene beeld mij voor den geest,
waartegen zich ons leven tekent:
de stad, waar men is kind geweest.

Het is, of vanuit deze haven
iets over heel de wereld drijft
waardoor, waar u het lot mag voeren,
ge toch binnen haar omtrek blijft.

Het is of met haar lucht en water
en wind, zij ons heeft opgevoed
in ruimte en vergezicht, de kusten
van onze toekomst tegemoet.

Vaart ge naar Sidney of naar Kaapstad,
naar Kobe of naar Baltimore
vaart ge onder alle hemelsbreedten,
vaart ge alle wereldzeeën door,

nooit voelt gij u geheel verlaten,
als hier uw mens-zijn aanvang nam,
door wat van kindsbeen af u eigen
en lief was. Dat is Rotterdam.

Op zondag

Het zal u waarschijnlijk niet zijn ontgaan dat begin oktober de Markthal, vlakbij de bibliotheek, onze thuisbasis, door koningin Maxima is geopend. Net zo als de bibliotheek staat dit nieuwe gebouw op een bijzondere plek. Op de plek waar de Rotte de Hoogstraat kruiste, de plek waar de Rotte van de Maas werd afgedamd, de plek waar Rotterdam ontstond. De Hoogstraat was niet alleen de waterkering, het werd ook het centrum van de stad, waar de waterstad van visserij, scheepvaart en handel, grensde aan de landstad van de burgers en de polder van de boeren. Vissers en boeren brachten hun producten naar de markt die nooit ver van de Hoogstraat gesitueerd was. Zo groeide de Hoogstraat uit tot de winkelstraat van Rotterdam, voor de oorlog de gezelligste van de stad.

Door het bombardement werd de Hoogstraat weggevaagd. De nieuwbouw heeft nooit iets van de vooroorlogse sfeer terug kunnen brengen. De meeste Rotterdammers hadden de Hoogstraat eigenlijk al opgegeven. Het nieuwe station Blaak, de paalwoningen, het potlood en zelfs onze bibliotheek konden de Hoogstraat niet redden.

Maar nu is er de Markthal, een trekker, zelfs op zondag open, een massaal maar transparant aquarium, de redding voor het oorlogsslachtoffer dat de Hoogstraat is?

Hanny Michaelis was een Joodse dichteres uit Amsterdam, die leefde van 1922 tot 2007. In 1995 ontving zij de Anna Bijns Prijs voor haar gehele oeuvre. De oorlog heeft op haar leven en werk een stempel gedrukt. Haar beide ouders werden vermoord in het vernietigingskamp Sobibór.

Zij was oorlogsslachtoffer, net als de Hoogstraat, net als Rotterdam. Zo zij zich voelde op zondag in Amsterdam, zo voelde het in de Hoogstraat te Rotterdam. Jarenlang, totdat de Markthal kwam?

Op zondag…
Hanny Michaelis 1922 – 2007

Op zondag is de stad een groot aquarium.
Het licht stroomt er als vuilgeel water binnen.
Langs het verflenste wier van parken
en onverschillige plantsoenen
zwemmen de mensen als verdwaalde vissen rond
tussen de vale huizenriffen
door scholen kinderen omstuwd.
Met bolle ogen happen zij naar lucht,
Snakkend naar de bevrijding die zij haten:
het schrikbeeld van de maandagmorgen,
Gekromd van plichtsbesef en wit van zorgen. 

De filosofen en de practici

Het is de maand van de filosofie. Dat betekent niet, dat we ons alleen deze maand bezig moeten houden met de fundamentele vragen rondom de zin van het leven. Als dichters en poëzieliefhebbers kunnen we het toch niet laten om veel vaker met zingeving bezig te zijn.
Van oudsher gaat het bij religie natuurlijk ook om vragen rond leven en dood.
Logisch, dat dichters en dominees elkaar vinden, vaak in dezelfde persoon.
Ziedaar: de dichter-dominee!
In de Nederlandse literatuurgeschiedenis komen we heel wat dichter-dominees tegen. Als eerste zou ik Hendrik Tollens willen noemen, geboren in 1780 in Rotterdam. In het Park staat een standbeeld van hem. Hij dichtte: Wien Neerlands bloed door d’ ad’ren vloeit, van vreemde smetten vrij. Toen nog beoogd volkslied, zou nu niet meer kunnen.
Dan hebben we Nicolaas Beets, geboren in Haarlem, 1814. Zijn beroemdste werk: de Camera Obscura, onder het pseudoniem Hildebrand.
Vervolgens twee dominee-dichters die veel gemeen hadden: Petrus Augustus de Génestet, geboren in 1829 en Francois Haverschmidt, alias Piet Paaltjens, geboren in 1835. Zijn bekendste werk is de bundel Snikken en grimlachjes.
Ze leefden in dezelfde periode Ze hebben beiden veel tegenspoed in hun persoonlijk leven gehad. Ze verloren allebei een kind en hun vrouw op jonge leeftijd en hadden het met het leven en de zin daarvan toen wel zo’n beetje gehad. Haverschmidt verhing zichzelf in de echtelijke bedstee op 58- jarige leeftijd. De Génestet stierf twee jaar na zijn vrouw. Hij was pas 31 jaar.
Behalve overeenkomsten was er ook een belangrijk verschil tussen beide dichter-dominees. Haverschmidt was van de zware, soms cynische romantiek. Een peinzer, een piekeraar, een filosoof misschien. De Génestet bestreed de tegenslagen in zijn leven met een praktisch optimisme. Je zou kunnen zeggen, met een Rotterdamse levenshouding: niet lullen maar poetsen, geen woorden maar daden. We vinden dit onder meer in zijn gedicht De practici, dat hij schreef in 1860, één jaar voor zijn dood. Dit gedicht vond ik in de bundel, die ik ooit van mijn vader kreeg, getiteld: Gedichten van De Génestet, volledige editie, aangeboden door de Stoom-Choc. & Cacaofabriek “KWATTA” BREDA. Sponsoring van kunst door een snoepfabriek! Kom daar tegenwoordig nog eens om!

De practici
P. A. de Génestet (1835 -1861)

Durf te leven! kwel u niet
Met te veel gedachten,
Werk uw werk en zing uw lied
Onder blij verwachten!
Vroom en vrolijk, fris en vroeg
Met de zonne wakker
Strek uw handen naar de ploeg
Op de grote akker!
Denken doodt en doen verlicht!
Op! de mens moet handlen;
Niet steâg met bedrukt gezicht
Als in dromen wandlen!
Kracht, gezondheid, raad en baat
Voor uw zielenoden
Is in d’arbeid, in de daad,
U van God geboden
Blik in ’t rond, doch wijd uw vlijt
Niet aan ’t spekuleren;
Vriendje, hebt ge zoveel tijd
Tot filosoferen?
Mooi! zo komt ge juist van pas
Voor een tal van zaken.
Menig stal van Augias
Is nog schoon te maken!

Werk en min, ziedaar de troost!
Bouw een huis op aarde!
Leef en sterf voor gade en kroost;
Kweek de schone gaarde!.
Menig nokkend filosoof
Wien zijn huis bekeerde
Tot echt-menselijk geloof
Dat zijn kind hem leerde!
Wie, uit liefde, een heilige Plicht
Hart en hoofd wil geven
Zal zijn God en vrede en licht
Vinden in het leven;
Meer dan hij, die, suf en sip,
Dag en nacht blijft zoeken
Naar een reedlijk Godsbegrip
In de nieuwste boeken!

….

Open House

Soms zie je in een krant of een tijdschrift een kort citaat, een uitspraak of een stelling je aanspreekt, die je raakt, die je bezig houdt, maar je weet eigenlijk niet waarom. Meestal, na een week of zo, ben je het al weer vergeten. Maar soms neem je een schaar, knip je het uit en stop je het in je portefeuille. Herkent u dat?

Het was een paar maanden voordat ik de Tsjechische vertaling van mijn boek Olinka in het Joods museum in Praag mocht presenteren. Olinka is een koosnaam voor Olga. Zo heette de jonge Joodse vrouw uit Praag, die de kampen overleefde dankzij de verboden “Judenhilfe” die zij in Hamburg van mijn vader ondervond. 65 jaar later knipte ik een stukje papier uit de krant en ik bewaarde het, want ik moest steeds weer denken aan die paar regels in het Engels. Het leek een klein gedichtje en de tekst luidde als volgt:

It’s a Czechoslovakian custom

My mother past on to me

Give people little presents

So they remember me

En dan tussen haakjes de naam van de schrijver: Lou Reed. Ik kende de vorig jaar overleden Lou Reed als een Amerikaanse singer-songwriter. Ik dacht: “Misschien komt zijn moeder uit Tsjecho-Slowakije.” Ik wilde, voordat we naar Praag afreisden voor de boekpresentatie, weten hoe het zat. Dus surfde ik over het onvolprezen internet en ontdekte dat het kleine gedichtje onderdeel was van een song, genaamd Open House. Een nummer dat Lou Reed schreef en uitvoerde als een eerbetoon aan Andy Warhol. De woorden van dat gedicht zijn in feite niet de woorden van Lou Reed. Het zijn woorden van Andy Warhol over zijn moeder die hij adoreerde. En dat open huis was niet alleen het appartement van Andy Warhol in de 81ste straat van New-York, dat altijd openstond voor mensen als David Bowie, Lou Reed en andere verslaafde kunstenmakers, maar het was ook het eenvoudige gastvrije huisje van zijn moeder in Miková, een dorp in het huidige Slowakije.

Toen ik de tekst van het lied nog eens door las, begreep ik ineens waarom die woorden mij zo fascineerden. In Nederland geven we iemand een cadeautje omdat we die persoon een plezier willen doen. In Tsjechië en Slowakije echter, zo heeft Andy Warhol van zijn moeder geleerd, geef je een cadeautje omdat je niet vergeten wil worden.

Olinka gaf mijn vader een porceleinen olifantje dat ze vond in het puin van Hamburg dat ze in de oorlog moest ruimen. Omdat ze wilde dat mijn vader aan haar zou denken, elke keer als hij naar dat kleine beeldje keek. Olinka vond ook een Duitse bijbel in het puin, die ze gaf aan mijn vader, omdat ze wilde dat hij aan haar dacht, elke keer als hij die bijbel ter hand zou nemen. Zij schreef het zelfs op de eerste blanco pagina, een tekst die ik nu pas, dank zij Lou Reed, op waarde kan schatten:

    10 januari 1945, Zum Andenken, Olga.

Peter de Knegt, 2 februari 2014

Open House                                                              Lou Reed (1942-2013)

Please

Come over to 81the street. I’m in the apartment above the bar

you know you can’t miss it, it’s across from the subway

and the tacky store with the mylar scarves

My skin’s as pale as outdoors moon

my hair’s silver like a Tiffany watch

I like lots of people around me but don’t kiss hello

And please don’t touch

It’s a Czechoslovakian custom my mother past on to me

the way to make friends, Andy, is invite them up for tea

Open house, open house

I’ve got a lot of cats, here’s my favorite

She’s a lady called Sam

I made a paper doll of her, you can have it

That’s what I did when I had St. Vitus dance

It’s a Czechoslovakian custom my mother past on to me

Give people little presents so they remember me

Open house, open house

Someone bring the vegetables

Someone please bring heat

My mother showed up yesterday

We need something to eat

I think I got a job today, they want me to draw shoes

The ones I drew were old and used

They told me to draw something new

Open house, open house

Fly me to the moon

fly me to the stars

But there are no stars in the New York sky

They‘re all on the ground

You scared yourself with music, I scared myself with paint

I drew 550 different shoes today, it almost made me faint

Open house, open house

Open house. open house

De stad

Tot mijn 27ste heb ik in de stad gewoond, in het Liskwartier, in Schiebroek en in Crooswijk. Met mijn jonge gezinnetje zijn we in de jaren 70 naar Lekkerkerk verhuisd, maar ik ben altijd in Rotterdam blijven werken. Ik kwam dus vaak in de stad. Nu ik gepensioneerd ben, kom ik dank zij Ongehoord, zelfs op zondag in de stad. “Ik ga naar de stad”, zei ik anderhalf uur geleden tegen mijn vrouw, De wedervraag: “Naar welke stad?” zal je in Rotterdam en omstreken nooit horen. 

Dichterbij de stad dan in de bibliotheek aan de Hoogstraat, waar de meeste van onze podia plaats vinden, kan je niet komen. Waar nu de markt wordt gehouden, stroomde vroeger de Rotte naar de Maas. In de 13e eeuw werd de Rotte afgedamd. De bibliotheek staat pal naast de Rotte-dam, de plek waar Rotterdam begon. De Hoogstraat is de oude waterkering. Vanaf het Kerkplein voor de Laurens kan je nog duidelijk zien waarom de Hoogstraat Hoog-straat heet. Eeuwenlang was de Hoogstraat het centrum van de stad, gelegen tussen de landstad aan de noordkant en de waterstad aan de zuidkant.

Vlakbij de bibliotheek, aan de overkant van het plein, staat de Jan Prinsschool. Jan Prins was een Rotterdamse zee-officier en dichter. Hij leefde van 1883 tot 1948 en zijn echte naam was Christiaan Louis Schepp. Zijn bekendste gedicht is ‘Rotterdam’ dat als volgt begint:

 Te Rotterdam ben ik geboren, onder de adem van de Maas

En liep ik met mijn eigen stilte, temidden van het straatgeraas

Van zwaarbespannen sleperswagens ben ik passagier geweest

Door heel de stad heb ik gezworven, maar aan de kaden toch het meest

 Voor een column is deze klassieker te lang en misschien ook wel te bekend. Ik wil graag een ander gedicht van Jan Prins onder uw aandacht brengen. Ik heb het over ‘de stad’ gehad en zo heet ook het gedicht waarmee ik deze eerste ‘column van de voorzitter’ afsluit.

Je hoefde aan Jan Prins als Rotterdammer niet te vragen aan welke stad hij dacht toen hij het gedicht “De Stad” schreef. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat het gedicht past op vele Hollandse steden uit de tijd voor 1850,  toen de steden nog niet uit hun voegen of beter gezegd uit hun singels waren gebarsten, uit de tijd dat de kerktoren en de stadsmolen nog de hoogste gebouwen van de stad waren.

Peter de Knegt, 16 januari 2014

De Stad                                                       Jan Prins (1883 – 1948)

In haar geboomtekrans verholen

binnen de grachten, — laag en nauw

onder de lucht, waar in het blauw

de grote voorjaarswolken dolen, —

 

met daken die tezamen scholen

om een eerwaardig oud gebouw

waar ik de schoonheid van aanschouw,

en rechts aan ’t hoge pad de molen, —

 

zo ligt de stad in de eenzaamheid

van ’t onafzienbaar land verloren,

diep onder het verheven licht.

 

Maar uit haar midden staat, bevrijd

van al wat duister is, de toren

tegen de hemel opgericht.

 

Advertenties